Verslag – Dennis Bos, 1918: de vergissing van Troelstra

Verslag van Dennis Bos: gespannen verhouding tussen parlement Den Haag & radicale bewegingen

De Eerste Wereldoorlog is begonnen onder aanvoering van de rijken en de machtigen aan de bovenkant, zij is geëindigd door de armen en de massa’s aan de onderkant. Soldaten en arbeiders begonnen in Rusland de revolutie en in Duitsland ook. Ook in Nederland, dat neutraal was, heeft de onderkant zich geroerd en dat zal in 1918. De mobilisatie van 1914 riep nationale gevoelens op, ter verdediging van de neutraliteit. Maar het beeld van de heerlijke strijd maakte snel plaats voor het beeld van de mechanische dood door ijzer en staal (verbeeld door o.a. Albert Hahn en George van Raemsdonck in De Notenkraker). Ook het politieke beeld verandert tijdens de oorlog. Binnen de socialistische beweging verschoven zich krachten richting revolutie, zoals de anarchisten dat altijd gepredikt hadden: de afsplitsing van de SDAP, de SDB werd sterker en er waren contacten van revolutionairen met Trotzky (Henriëtte Roland Holst) en Rosa Luxenburg). Maar de leiding van de SDAP was ver in het parlement en het establishment doorgedrongen: in 1913 kregen zij de kans deel te nemen aan de regering (formatiepoging-Bos) en kreeg Amsterdam twee SDAP-wethouders: Wibau en De Miranda. Zij waren medeverantwoordelijk voor de export van aardappels naar Duitsland toen er in Nederland schaarste was, en voor het neerslaan van het aardappeloproer dat in 1917 ontstond. Ook was er muiterij in het leger, in Nederlandsch-Indië en de Harskamp.

Troelstra, die in 1914 oproept tot nationale eenheid boven klassenstrijd stelt, roept in 1918 op tot revolutie en doet hierover uitlatingen in de Tweede Kamer. Hij krijgt geen meerderheid. Zijn interventie, die als ‘vergissing’ de geschiedenis zal ingaan, wordt gevolgd door twee nationalistische volksbetogingen op het Malieveld, een protestantse en een Rooms-Katholieke. Nochtans zijn er ook personen die werkelijk geloofden in een socialistische revolutie: de Rotterdamse burgemeester Zimmerman en koningin-weduwe Emma, die haar koffers al klaar had.

Op 13 november is er in Amsterdam een bijeenkomst van SDB, NAS en anarchisten met o;am Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Zij gaan soldaten bevrijden die in arrest zijn. Vanuit de kazerne wordt geschoten en er vallen doden.

De revolutionaire beweging in Nederland komt in de herinnering niet voor. Er wordt niets herdacht. In de historische beleving wordt de oproep van Troelstra als een ‘vergissing’ afgedaan. Wijnkoop, die bij de Amsterdamse opstand betrokken was, wordt door de sociaaldemocraten belachelijk gemaakt, omdat hij – zegt de SDAP – tijdens de schietpartij ergens zou hebben aangebeld en een glas water hebben gevraagd. Ook daar dus een klucht. Ook het verhaal van een onschuldige passant, die bij de beschietingen in Amsterdam gewond zou zijn geraakt wordt door de sociaaldemocratie tot een belachelijke anekdote gemaakt. Hij zou volgens Meyer Sluyser gesimuleerd hebben om indruk te maken op zijn meisje. Juist door de overheersing van spot en humor is de ernst van de zaak en daarmee de gedenkwaardigheid verloren gegaan.

Bij de discussie ontstond de vraag of men de revolutionairen van 1918 de daarop volgende reactie van het nationaalsocialisme kan verwijten. Het antoord is dat de revolutie van 1918 een machtsgreep was van de sociaaldemocratie Ebert, die de beweging van Liebknecht en het radensocislisme met rechtse militairen onderdrukte en hen dus de gelegenheid gaf de reactie in de praktijk te brengen: door de moord op Liebknecht en Luxemburg. Epp, die met zijn vrijkorpsen de Munchener Radenrepubliek neersloeg was mede betrokken bik Hitlers putsch van 1923 en de oprichting van de NSDAP. Het is dus het verraad van de revolutie door de sociaaldemocratie die de opkomst van het fascisme heeft ingeleid. En Troelstra had gehoopt voor Nederland de rol van Ebert op zich te nemen.

NB; Een gedetailleerde beschrijving over Troelstra in 1918: H.J. Scheffer, 1918, journaal van een revolutie die niet doorging. Amsterdam 1968.