Verslag: Het vraagstuk van de ‘geparalyseerde’ arbeidersklasse

In deze workshop werd een sociologische perspectief op de veranderde samenleving over de afgelopen 50 jaar gepresenteerd. De vraag werd gesteld of en hoe de arbeidersklasse weer te activeren is, rekening houdend met dit wetenschappelijke perspectief.

De ingeslapenheid van de arbeidersklasse bleek niet zomaar af te leiden te zijn uit een optelsom van sociologische processen als secularisering, individualisering en globalisering. Wel lijkt het zinvol te zijn beter in kaart te brengen hoe solidariteit actief onmogelijk gemaakt wordt. Ook is het belangrijk reken te houden met de culturele onzekerheid van grote groepen arbeiders. Zij lijken meer bezig te zijn met het vinden van een nieuwe identiteit, dan met economische progressiviteit. Ook kan het zinvol zijn om een beter begrip te krijgen van de diversiteit binnen de arbeidersklasse. Zo zijn er ongetwijfeld vele groepen die tot dusverre onderbelicht bleven, zoals vrouwen, minderheden en flexwerkers. Tenslotte groeit het belang van een sterk anti-autoritair politiek verhaal.


Een tweede verslag is geschreven door Jan Bervoets. (noten komen voor rekening van de samenvatter)

Referaat
Doel van de workshop is een sociologisch referaat ter discussie stellen, die het uitblijven van actiebereidheid van de arbeidersklasse verklaart. Spreekster ziet de arbeidersklasse als een onderdeel van de verzuilde samenleving van de jaren 60, die door de revolte van die tijd seculariseerde. Betekent dat collectieve normen toen werden vervangen door individualisering [2] en het einde van de solidariteit? Neen, de normen veranderden.
In de jaren 60 werden traditionele waarden vervangen door de ideologie van de individuele vrijheid; het individualisme is sedertdien een imperatief voor sociale controle geworden; de globalisering gaat gepaard met glocalisering, d.w.z. de versterking van regionale identiteitswaarden.
De jaren ’60 leidde tot drie typen: 1) de gnostici, die zich ontwikkelden tot een new age-cultuur; 2) de activisten wat leidde tot nieuwe politiek; 3) de anarchisten, wat leidde tot de grote populaire culturen.
ad 1) de antithese idealisme – materialisme (of: heilig – profaan) werd vervangen door een monisme van een geloof in een persoonlijke geest die overal aanwezig is. Campbell noemt dit de veroostelijking van het westen. Dit leidt tot rehabilitatie van de natuur, in het bijzonder verplaatst de solidariteitsbeweging naar het milieuactivisme.
ad 2) Frank Parady definieert de nieuwe politiek als een ‘therapie-cultuur’. In het publieke debat gebruikt men psychotherapeutische termen. De mens is kwetsbaar, kan niet meer met tegenslagen omgaan en is voor de politiek veeleer patiënt dan mondige burger. De mens is immers minder met de rede begaafd dan met emotie en heeft het recht zich daaraan over te geven. Gevolg: desempowerment = prijsgave van zelfbeschikking. [3]
ad 3) Nieuw links staat voor individuele vrijheid, dit tegenover nieuw rechts, dat een solidariteit predikt van nationaal-etnische normen en waarden op basis van een leidersbeginsel. De oude economische issues (conservatief vs. progressief ) [4], worden vervangen door culturele issues (autoritaire eenheid tegenover migranten tegenover libertaire solidariteit). Binnen dit kader ontstaan bizarre tegenstrijdigheden, bijvoorbeeld: vrijheid van mening is een te verdedigen waarde, waarvoor de meest autoritaire repressiemiddelen geoorloofd en wenselijk zijn.
De arbeidersklasse is onderhevig aan een paradox, economisch progressief is zij cultureel conservatief; mede door tradities van het autoritaire socialisme. Nu culturele thema’s de boventoon voeren ontstaat hier culturele onzekerheid. Geen argumenten economische belangen leiden tot discriminatie leiden, maar het deviante gedrag van emigranten dat weerstand oproept. De houding van de arbeidersklasse wordt het beste weerspiegeld door de huidige SP.

Discussie
Opgemerkt wordt dat het referaat een model is van eigenstandige ideologische termen, die bij toepassing van dezelfde woorden in een historisch materialistische context tot spraakverwarring leiden. Vanuit de zaal worden ook andere oorzaken over de paralysering van de arbeidersklasse aangevoerd. Zo behoren veel arbeiders tot de middenklasse, die de werklozen als parasieten zien. Ook werken de vakbonden de solidariteit tegen. Er ontstaat een discussie over samenhang tussen solidariteit en egoïsme, vooral aan de hand van Stirner.
Spreekster stelt vast dat de class-composition, streven naar gezamenlijk belang, verstoord wordt door elementen van class-decomposition, waardoor er splitsing van belangen ontstaat. Een van de elementen is volgens Braverman de invoering van de elektronica in het bedrijfsleven waardoor de bevelsverhoudingen tussen arbeiders en management en de klassentegenstellingen ‘diffuus’ zijn geworden .
Conclusies uit de zaal: er moet een cultuurstrategie ontwikkeld worden die antiautoritair en economisch progressief is; wij moeten ons te weer stellen tegen cultuurfenomenen die solidariteit concreet onmogelijk maken.

Noten:
[1] Onder geparalyseerde arbeidersklasse wordt verstaan de georganiseerde arbeiders in de vorm van politieke partijen en vakbeweging, mede als object van sociologisch onderzoek
[2] In deze benadering wordt met “individuele vrijheid” geen economische vrijheid bedoeld in de zin van Adam Smith of andere vormen van “vrijemarktideologie”, maar het ideologisch begrip zoals dat Marx is gekritiseerd en door anarchisten in bepaalde contexten wordt verdedigd.
[3] Had er iemand in dit gezelschap van Foucault gehoord?
[4] Bedoeld is: kapitalistisch-behoudend tegenover vooruitstrevend naar een socialistische maatschappij