Verslag: Nederland na 5 jaar wereldversleutelen

Om 10 uur zaterdagochtend begon het inhoudelijk gedeelte van het tweede 2.Dh5-festival met een plenaire bijeenkomst onder de titel ‘Nederland na vijf jaar wereldversleutelen’. Drie sprekers gaven hun visie op hoe Nederland er in hun ogen over vijf jaar uit zou kunnen zien en wat daarvoor de komende vijf jaar moet gebeuren.

Crisis en kansen
Peter van GroenFront! gaf de aftrap. In zijn visie koerst Nederland (en de rest van de wereld) ‘head first’ op een crisis af: de economische groei bereikt zijn grenzen, de energievoorraad raakt op, het milieu en het klimaat raken oververhit, de repressie en controle nemen alleen nog maar toe. Aan de ene kant is dat een enorme bedreiging, maar aan de andere kant schept dit volgens Peter ook kansen. Hij verwijst hiervoor ook naar het boek ‘Down with the Empire’. Volgens Peter zijn er vier dingen die moeten gebeuren om het tij te keren. Een van die dingen is ‘redden wat er te redden valt’: natuur en milieu waar het kan beschermen en behouden. Net zo belangrijk is echter het opbouwen van eigen plekken: plekken waar op een andere manier met energie, grondstoffen, milieu en mensen wordt omgegaan. Belangrijk daarbij is dat dit open plaatsen zijn, zodat ook mensen van buiten de scene hierbij betrokken worden. Als goed voorbeeld daarvan noemt Peter de weggeefwinkels. Een ander belangrijk punt is dat we onszelf kunnen onderhouden. Nu schipperen veel mensen in de beweging tussen aan de ene kant actief zijn en aan de andere kant geld verdienen om die activiteiten ook te kunnen uitvoeren. Volgens Peter moeten we op zoek naar een manier om alle activisten van een inkomen te voorzien. Her en der zie je dit door oprichting van kleine bedrijfjes, het aanleggen van een flinke collectieve moestuin, kraken en dergelijke. Dit alles dringt de behoefte aan geld terug.

Kees merkt hierover op dat juist veel mensen die een eigen bedrijfje beginnen, zoveel tijd in dat bedrijf steken – om het hoofd financieel boven water te kunnen houden – dat er geen tijd meer is voor activisme. Juist die mensen verdwijnen volgens hem vaak uit de beweging. Peter geeft toe dat dit nu inderdaad soms zo is, maar dat geeft volgens hem juist het belang aan goed na te denken over hoe je op een betere manier als activisten in je eigen inkomen kunt voorzien en tegelijk actief kunt blijven. Verder is het volgens hem belangrijk nu al na te denken over wat de naderende crisis nu voor mensen betekent, hoe je je daar nu al op kunt voorbereiden, zodat we niet over een paar jaar ontdekken dat het door chips, implants en andere repressieve technieken onmogelijk is geworden om bijvoorbeeld nog te kraken. Daarom zijn naar zijn idee festivals als 2.Dh5 belangrijk, omdat je samen kunt nadenken over strategieën om de komende jaren de beweging te versterken en een tegenbeweging op te bouwen, maar ook om skills en vaardigheden van elkaar te leren om crisis en repressie te overleven.

Vervolgens is er enige discussie over hoe je meer eigen bedrijfjes kunt opzetten en vooral ook hoe deze bedrijfjes beter met elkaar zouden kunnen samenwerken en elkaar zouden kunnen ondersteunen. Vaak zijn gebrek aan geld en faciliteiten een probleem waardoor dingen toch niet van de grond komen. Een beter netwerk – zoals bijvoorbeeld Solidair voor een deel al is – zou daarbij mogelijk kunnen helpen.

Vanuit de zaal wordt Peter de vraag gesteld hoe om te gaan met openheid. Aan de ene kant zegt hij immers dat repressie zal toenemen, maar aan de andere kant vindt hij dat er meer openheid moet komen vanuit de beweging. Daar zit toch een zekere spanning tussen? Hoe ga je daar dan mee om? Peter geeft aan dat repressie er vaak voor zorgt dat mensen alleen in hun eigen groep nog dingen willen organiseren. En daarmee is dan het doel van de repressie voor een deel gehaald: activisten zijn alleen nog actief in eigen kring. Volgens hem is het juist belangrijk ook naar buiten te treden. Je moet als activist heel duidelijk onderscheid maken tussen activiteiten die naar buiten gericht zijn – zoals weggeefwinkels, infoshops, kroegen en dergelijke – en activiteiten die zich gezien hun aard minder lenen voor openheid, zoals illegale acties. Het ene moet je zo open mogelijk houden, het andere moet je natuurlijk niet in alle openheid doen, omdat je actie dan niet meer mogelijk zal zijn. Egbert merkt op dat repressie ook moeilijker wordt als je open bent: juist contacten in de samenleving zorgen ervoor dat je niet snel als groepje raddraaiers wordt weggezet of opgepakt, want dan komt de samenleving in verzet. Hierop volgt enige discussie over opzetten van eigen voorzieningen, zoals scholen, ziekenhuizen en dergelijke. Als de repressie van de staat zich ook in onderwijs en gezondheidszorg laat voelen, zou het goed zijn om ook dit in eigen hand te nemen, zoals destijds ook bij de opstand in Kosovo is gebeurd. Juist door de bevolking te helpen via onafhankelijke voorzieningen, zullen het verzet tegen de huidige staat en economische orde toenemen en zal het verzet groeien.

Durven dromen
Kornee geeft als tweede zijn visie op Nederland over vijf jaar. Wat naar zijn idee binnen de beweging mist, is een duidelijk idee over hoe de samenleving anders georganiseerd kan zijn. Hij ziet dan ook veel in juist het terugbrengen van ideologie in het politieke en maatschappelijke debat. De huidige partijpolitiek is volgens hem een eenheidsworst van neoliberalisme. Dat moet je doorprikken: als je dingen echt anders wilt, moet je ook aangeven hoe dan het totaalbeeld eruit ziet van de andere samenleving die jou voor ogen staat. Wat Kornee betreft is hierbij het ecologisme belangrijk en daarnaast ook een antihiërarchische en antikapitalistische manier van leven. De samenleving moet naar zijn idee dan ook totaal anders worden georganiseerd. Over ideologie wordt vaak lacherig gedaan, maar het is volgens Kornee juist belangrijk om te durven dromen. In de anarchismetentoonstelling wordt bijvoorbeeld een beeld geschetst van de anarchistische stad. Bij veel mensen komt dit naïef over, maar het spreekt ook juist veel mensen aan. Volgens Kornee moeten vooral veel kleine structuren worden opgezet en versterkt: wijken, dorpen en dergelijke in zelfbeheer. Daar moet je dingen opbouwen. Ideologie is ook belangrijk als maatschappijvisie, maar dan niet dogmatisch – dus geen blauwdruk – maar wel een algemeen idee over waar je heen wilt. Kornee ziet verder niets in een pure scheiding tussen activisme en bijvoorbeeld een betaalde baan. Hij vindt dat juist op plekken waar je werkt en woont – je bedrijf, je wijk en dergelijke – je dingen moet inbrengen, een ander ideaal moet laten zien en dingen moet proberen te veranderen, versleutelen. Dus je moet niet alleen actief zijn in je eigen vrijplaatsen, maar juist in de wereld daarbuiten proberen dingen te veranderen.
Kees merkt op dat je je dan wel vaak geïsoleerd voelt, als je bijvoorbeeld op je werk de enige bent die bepaalde dingen anders wil. Kornee geeft aan dat je het toch zult moeten doen met de mensen die je dagelijks ziet en de structuren waarin je je dagelijks beweegt. Volgens hem zijn festivals als 2.Dh5 daarom ook zo belangrijk omdat je daar contact en steun kunt vinden van andere mensen die ook in hun eigen werk en buurt proberen veranderingen voor elkaar te krijgen. Maar verder zul je het volgens hem toch vooral zelf moeten doen.
Overigens deelt Kornee het apocalyptische beeld dat Peter schetst voor een groot deel wel, maar hij denkt niet dat je daarmee mensen enthousiast krijgt voor verandering. Peter denkt dat een deel van de mensen hierdoor inderdaad niet in beweging komt, maar dat er een andere, steeds grotere groep mensen zal zijn die ervan overtuigd raakt dat er echt fundamenteel iets moet veranderen. Boyd geeft aan dat hiervoor ook andere media belangrijk zijn

Polder versus conflicten
Als laatste spreker geeft Chris zijn visie. Hij vindt het vooral van belang dat je een krachtige actiebeweging opbouwt, die niet alleen reageert op de politiek, maar die sterk genoeg is om zelf dingen op de agenda te zetten. De vraag is natuurlijk: hoe kom je daar?

Chris komt zelf uit de Duitse actiebeweging. Wat hem opvalt aan Nederland is ‘de verschrikkelijke consensuele werking van het poldermodel’. De overheid in Nederland probeert vaak op voorhand elk conflict weg te nemen door hierop te anticiperen en al in het voortraject allerlei groepen te laten ‘meedoen’. Chris ziet dan ook als uitdaging voor de komende vijf jaar het conflict weer terug te krijgen op de agenda. Hij is nu zo’n vijf tot zes jaar in Nederland en heeft nog weinig echt grote maatschappelijke of sociale conflicten meegemaakt hier. Naar zijn idee zou je in eerste instantie kunnen aansluiten op conflicten die er al zijn. In Schinveld bestond bijvoorbeeld naar het idee van de bevolking al een conflict. Daar kun je dan op inspringen. Je kunt het conflict naar boven halen en verscherpen, zodat duidelijker wordt welke belangentegenstellingen er bestaan.

Een tweede punt waaraan volgens Chris gewerkt moet worden, is samenwerking en meer netwerken. Chris: ‘Nederland heeft heel veel infrastructuur, maar daar gebeurt eigenlijk nogal weinig mee”. Er zijn veel initiatieven, maar die werken erg langs elkaar heen. Er zijn ook heel veel clubjes, die allemaal hun eigen structuurtje in stand houden. Er wordt veel te weinig gekeken hoe bijvoorbeeld jouw structuur kan helpen voor activiteiten van een ander. Activisten zijn te veel bezig met het in stand houden van hun eigen subcultuur. Dat is natuurlijk gezellig, maar het levert weinig op.’

Als derde punt noemt Chris dat het niet alleen belangrijk is om te durven dromen, maar ook om te durven nadenken over strategie. Dit is niet alleen belangrijk, maar pure noodzaak, want er moet echt iets gebeuren. Zomaar iets doen, kan soms verkeerd uitpakken. Je moet kijken wat je wanneer doet. Hiervoor zijn platforms nodig en ontmoetingsplaatsen, zoals bijvoorbeeld een festival als 2.Dh5. Het is belangrijk om te kijken ‘hoe kunnen we het verschil maken’. Als voorbeeld noemt Chris het asielbeleid en de bajesboten. ‘Juist het verzet hiertegen zou je breder moeten kunnen trekken. Er zijn zoveel clubjes bezig met dit onderwerp! Maar men heeft het er niet voor over om bijvoorbeeld twee dagen per maand gezamenlijk te kijken hoe het verzet op een hoger plan kan worden getrokken. De potentie is er wel, maar er gebeurt te weinig mee.’

Vanuit de zaal wordt aangegeven dat het vaak moeilijk is om dingen breder te trekken, omdat het grote publiek is afgestompt. In Schinveld is dat wel gelukt, maar op andere plekken lukt dat moeilijk. Peter geeft aan dat je er ook in moet investeren. In Schinveld is men ook daadwerkelijk een jaar bezig geweest om mensen in verzet te krijgen. Het is nodig dat je mensen weet te raken. Peter: ‘Toen we in Schinveld begonnen, hadden mensen in het dorp ook zoiets van ‘wat kunnen wij nu doen tegen de NATO’. Dat gevoel moet je wegnemen. Je moet weten waar je de mensen kunt vinden en ook niet schromen om samen te werken met mensen met wie je normaal niet snel zou samenwerken. Geen onderscheid maken tussen activisten en ‘de rest van de wereld’, maar kijken naar wat is het gemeenschappelijk doel en welke mensen kun je daarop meekrijgen. Voor veel mensen is het bijvoorbeeld nogal een stap om de wet te overtreden. Je moet dan ook veel energie steken in het meekrijgen van mensen buiten de beweging.’ Egbert merkt op dat het juist vaak goed werkt om verrassende bondgenoten te zoeken. Zo is het Platform tegen de nieuwe oorlog – waarin allerlei activistische groepen zaten – doodgebloed. Vervolgens heeft VD/Amok contact gezocht met veteranen en militaire vakbonden, waar veel verzet blijkt te zijn tegen bijvoorbeeld het sturen van troepen naar Afghanistan. Daar vindt VD/Amok nu bondgenoten in de strijd tegen de oorlog. Egbert: ‘Je moet op allerlei manieren proberen het verzet groter te maken’. Kees geeft aan dat je met dergelijke bondgenootschappen de wereld niet verandert: ‘daar bouw je geen antimilitaristische samenleving mee op.’ Egbert: ‘Dat klopt, maar je kunt op deze manier wel als eerste stap aangeven dat militaire interventies niet helpen. Dat kun je dan later verder uitbouwen.’

De zaal merkt op dat ook hier een dilemma lijkt te liggen: enerzijds wil je meer samenwerken met onverwachte groepen en de gewone bevolking, anderzijds wil je meer conflicten. Chris: ‘Conflicten zijn er genoeg, alleen zijn ze vaak verborgen. Zo lang de beweging niet zo groot is dat we zelf de agenda kunnen bepalen, moeten we de conflicten die er al liggen, opzoeken, ondersteunen en gebruiken. Dat geldt op de werkvloer, in de wijk, in je buurt.’ Peter geeft aan dat je conflicten ook kunt gebruiken om je eigen verhaal uit te dragen. ‘Zo van: we werken wel met jullie samen, maar dit is óns verhaal. Dan merk je dat er ook dingen veranderen, bijvoorbeeld de bevolking van de gemeente Onderbanken (waar Schinveld onder valt) is bij de afgelopen verkiezingen duidelijk radicaler geworden dan daarvoor. Er is in de gemeente nu zelfs een klein anarchistisch actiegroepje bezig. Conclusie van Kees: ‘Je zou kunnen zeggen dat een samenleving waar conflicten vermeden worden, zoals in Nederland, een enorm braakliggend terrein is. De kansen liggen voor het grijpen!’

Tenslotte nog een laatste opmerking over dit debat: we moeten niet teleurgesteld raken als dit allemaal niet in vijf jaar lukt. Die grens is door de organisatoren van het debat gesteld om te voorkomen dat er alleen over verre vage toekomstvisioenen gepraat gaat worden. Zo’n grens dwingt mensen om weer te landen en met beide benen op de grond te blijven staan. Gezien de discussie die is gevoerd, is dat goed gelukt.

foto’s: Unai Risueño