Verslag: Theorie, geschiedenis en anti-intellectualisme

‘Wat we aanmoeten met geschiedenis (en theorie) van sociale bewegingen..’
Saskia Poldervaart.

Zondagmiddag 29 januari (plms. 25 deelnemers)

Ik wil 5 punten behandelen:

  1. Paar opmerkingen over belang van geschiedenis
  2. De drie strategieen van sociale bewegingen
  3. De historische golven van sociale bewegingen ( + noemen: verlangen naar ‘commons’, vaak ook bij revolutionaire bewegingen)
  4. Hoe anarchistische denkers en activisten binnen de 3 verschillende strategieeen en protestgolven ‘passen’
  5. Sterke en zwakke kanten van DiY-strategie.

Ad. 1: Waarom is geschiedenis van belang?

  • Mensen hebben als denkende en handelende personen altijd een praktisch belang bij de beelden die de geschiedenis hen presenteert. Want de wijze waarop het verleden wordt beschreven is van direct belang voor de manier waarop groepen hun identiteiten in het heden definieren, en daarmee hun handelingsorientatie. Geschiedenis bestuderen is dus geen a-politieke vlucht uit het heden, integendeel: door te laten zien hoe en in welke context begrippen hun betekenis krijgen en hoe deze kunnen veranderen, bedrijft men ook politiek.
  • Er is geen objectieve geschiedschrijving mogelijk en er is van de geschiedenis heel vaak misbruik gemaakt door allerlei, ook huidige, politici. Vaak gebruikt om nationalistische aanspraken te verdedigen (Servie over Kosavo, de Schotten met hun strijd tegen de Engelsen uit 13zoveel, etc.). Het is altijd heel zinnig om zulke ‘aanspraken’ te relativeren of onderuit te halen door ze te historiseren/ hun historische ontwikkeling aan te geven. Hierdoor kan bepaalde beeldvorming veranderd worden.
    Een actueel Nederlands voorbeeld is het begrip ‘maakbaarheid’. Het idee van de maakbare samenleving wordt nu door de huidige liberalen als Zwarte Piet aan de sociaal-democraten toegeschreven en als gevaarlijk en ‘utopisch’ benoemd. Hierdoor staat momenteel het idee van de maakbare samenleving bij velen in een kwaad daglicht. Het resultaat is dat kennelijk politieke doelen alleen nog mogen worden nagestreefd op voorwaarde dat de samenleving noch haar ingezetenen hoeven te veranderen. Tegelijkertijd grijpt de overheid elke dag in in de sociale structuur en draait alles om planning en orde/stabiliteit, dus om maakbaarheid, maar wordt het woord maatschappijverandering door politici niet meer gebruikt. Historisch onderzoek (van o.m. Jan Willem Duyvendak) heeft echter laten zien dat juist de liberalen altijd een groot vertrouwen hadden in de maakbaarheid van de samenleving. Zij wilden revoluties voorkomen door de samenleving tijdig te hervormen en vanwege hun geloof in de maakbare samenleving achtten zij zichzelf daartoe in staat. Via historisch onderzoek kan dus de hypocrisie van de liberalen aangetoond worden en tevens het belang van maatschappijverandering (en tevens dat de maatschappij nooit helemaal maakbaar is volgens een bepaald plan: er zullen altijd onverwachte wensen en krachten optreden, van binnenuit of buitenaf, die niet in het plan zijn opgenomen en die ieder op hun beurt het veranderingsproces meesturen, zie Piet Thoenes). Het gaat er juist om, anders dan het planning van de liberalen , om het accepteren van onzekerheid.. Want juist door zo’n acceptatie worden er weer andere, niet-voorziene dingen mogelijk.
  • Voor sociale bewegingen kan ‘de’ geschiedenis belangrijk zijn om te laten zien dat ongeveer vergelijkbare omstandigheden vaak voor een vergelijkbaar protestrepertoire zorgen. Ik wil laten zien dat men kan leren van de strategieen die sociale bewegingen in het verleden hebben gebruikt.

Ad 2: Globaal: drie strategieen van sociale bewegingen

  1. Utopische
  2. Revolutionaire
  3. Onderhandelingsstrategie

Als je naar de geschiedenis kijkt van sociale bewegingen, vanaf de Christelijke jaartelling tot nu, kunnen er drie verschillende strategieen onderscheiden worden. Meestal gaat men niet zo lang terug en worden de strategieen die sociale bewegingen gebruiken grofweg onderverdeeld in a) pogingen om de overheid te beïnvloeden en b) deze omver te werpen. Een tijdlang (1980-1990) is daarnaast de strategie van de ‘Nieuwe sociale bewegingen’ genoemd waarbij postmaterialistische waarden worden nagestreefd en de staat wordt gewantrouwd (maar tegenwoordig staan deze bewegingen uit de sixties weer in een kwaad daglicht bij politici en wordt er in de theoretische benaderingen van sociale bewegingen ook niet veel meer mee gedaan).
Zoals ik wil laten zien is de strategie van de Nieuwe Sociale Bewegingen al veel ouder dan van de jaren 1960. Deze strategie noem ik de utopische strategie (anderen benoemen deze strategie als ‘persoonlijke/lokale’ en tegenwoordig meestal de Doe-het-Zelf-strategie). Ik wil eerst op de verschillen tussen deze 3 strategieen ingaan:

  1. De utopische (persoonlijk/lokale, DiY-) strategie, ofwel: organiseer jezelf. Deze strategie is gebaseerd op de notie dat individuen die ontevreden zijn met de bestaande condities, zichzelf en hun onmiddellijke omgeving moeten veranderen. Ze negeren daarbij bestaande machtsstructuren en de staat. De veranderingen die in deze strategie worden nagestreefd gaan om zelfvertrouwen, zelfrespect, het scheppen van een sterker ethisch gevoeld en om een reorganisatie van iemands dagelijks leven. Veelal zoekt men bondgenoten die op dezelfde wijze ontevreden zijn, op dezelfde wijze proberen om alternatieven voor het bestaande te vinden en deze in het dagelijks leven toe te passen, zonder geweld te gebruiken. In deze strategie gaat het altijd om veranderingen hier en nu.
  2. De revolutionaire (transformerende) strategie. Volgens deze strategie zijn er eerst fundamentele veranderingen nodig wil een beweging haar idealen in praktijk kunnen brengen. Het gaat in deze strategie dus altijd om veranderingen later, omdat eerst een algemene vijand verslagen moet zijn voordat de idealen ‘geleefd’ kunnen worden. Vaak gaat het hierbij om het verduidelijken van de verschillen tussen de leden van de beweging en ‘de vijand’, verschillen die als tegenstellingen worden aangeduid. Meestal gaat men er in deze strategie ook van uit dat er één specifieke groep is die de veranderingen moet doorvoeren (de armen, de boeren, sinds Marx: de arbeidersklasse). In deze strategie wordt de staat niet genegeerd, integendeel: eerst moet de staat via revolutie veroverd worden om de specifieke groep de macht te geven (anarchisten gaan er daarbij vanuit dat de staat dan wordt afgeschaft; in theorie ging Marx hier ook vanuit, maar het staatssocialisme van Lenin heeft de staat juist versterkt).
    Zowel de utopische als de revolutionaire strategie ontstaan vaak uit dezelfde omstandigheden, hebben vaak dezelfde idealen van een klasseloze -en bij de utopische strategie meestal ook genderloze- maatschappij, maar de aanhangers neigen ertoe hun eigen weg te gaan, omdat het strategie-verschil verreikende consequenties heeft. Want als alle activiteiten gericht moeten zijn op het verslaan van de vijand is er geen ruimte om na te denken over en te experimenteren met het alternatieve leven in het hier en nu, omdat dat het revolutionaire bewustzijn alleen maar zou ondermijnen . (Ik zal, in mijn bespreking van historische golven van sociale bewegingen voorbeelden geven van anarchisten die dat laatste vonden. Ook Marx en Engels noemden de eerste socialisten niet ‘utopisch’ vanwege hun einddoelen, maar vanwege hun afwijzen van het geweld van de klassenstrijd en hun streven hun idealen in het hier en nu reeds te leven.).
  3. De op onderhandelingen gericht strategie. In deze gematigde, ook wel pragmatische strategie genoemd, gaat het er juist om direct invloed te krijgen op de bestaande machtsstructuren. Activisten die deze strategie aanhangen zijn veelal meer gericht op conventie, praktisch realisme en korte termijn doelen en vrezen wanorde en geweld. Met hun ‘respectabel’-zijn en hun politieke netwerken hebben aanhangers van deze strategie veel bereikt wat betreft het veranderen van wetgeving (anti-discriminatie-wetten), maar wat betreft veranderingen van dominante waarden en normen heeft deze strategie niet zoveel opgeleverd. Deze strategie is dan ook meer gericht op veranderingen ergens anders.
    De eerste twee strategieën hebben in alle sociale bewegingen vanaf het begin een rol gespeeld; de derde strategie werd pas belangrijk toen mensen (burgers) direct invloed konden gaan uitoefenen op het politieke systeem en dat begon pas (enigszins) te gebeuren in de 18-de eeuw.

3. Historische golven van sociale bewegingen
 
Als men de geschiedenis van sociale bewegingen onderzoekt, blijken deze bewegingen altijd in bepaalde periodes tegelijkertijd te zijn opgetreden. Pas achteraf kan men stellen dat dit ‘rumoerige periodes’ waren (zonder voorspellende waarden wanneer zulke periodes weer zullen optreden). Sociale bewegingen ontstaan pas als er meerdere mensen overtuigd zijn dat de bestaande verhoudingen onduldbaar zijn en als er tegelijkertijd alternatieven worden geformuleerd; zonder het idee ‘dat het anders kan’ ontstaan geen sociale bewegingen.

  1. Als men naar de geschiedenis van de westerse wereld kijkt (van het grootste deel van de wereld heb ik geen overzicht), dan blijkt de ‘eerste golf’ van sociale bewegingen opgetreden te zijn rond het jaar 0, toen ongeveer tegelijkertijd de Joodse Essenen in Palestina eigen gemeenschappen gingen opzetten om te protesteren tegen de Romeinse overheersing en de eerste Christenen met hun christengemeenschappen het goede voorbeeld wilden leven. Beide groepen hanteerden dus een Doe-het-zelf-strategie. Beide groepen leefden in gemeenschap van goederen, wilden het onderscheid tussen rijken en armen opheffen en hanteerden dezelfde voorschriften voor vrouwen en mannen. De Essenen benadrukten hun anti-geweld strategie, wezen handel en winkelnering af, aten gemeenschappelijk en waren al vegetariërs.
  2. De volgende ‘rumoerige periode’ vond plaats in de 12-de en 13-de eeuw, toen allerlei ketterse bewegingen die christelijke idealen van solidariteit en gelijkheid opnieuw wilden leven (om daarmee te protesteren tegen de rijker wordende kerk en de hypocrisie van de geestelijkheid). Ketterse bewegingen als de Albigenzen of Katharen, Waldensers, Apostelbroeders, Begarden en Begijnen, Lollharden, Hussieten streefden ernaar de gezinsstructuur op te heffen, en te leven in goederengemeenschap. Religie was voor hen een ideaal van persoonlijk gedrag en dat betekende het in praktijk brengen van hun ideeën over méér gelijkheid in het hier en nu. In alle ketterse bewegingen hebben vrouwen een belangrijke rol gespeeld en diverse auteurs zien in deze bewegingen een eerste begin van het feminisme. Al deze bewegingen zijn vervolgd door de legers van de adel en de geestelijkheid en, op de Begarden en Begijnen na (die minder rechten kregen) zijn ze allen gruwelijk vermoord. Voor zover ik weet zijn het alleen de Hussieten (met als leider de geleerde John Huss) geweest die in hun verdediging de wapens hebben opgepakt en zich fel hebben verdedigd (en dus van de utopische naar de revolutionaire strategie zijn overgegaan). Echter zonder resultaat: ook zij zijn uitgemoord.
  3. In de zestiende en zeventiende eeuw leidde de ontevredenheid over de sociale verhoudingen en de rol die de kerk daarbij speelde opnieuw tot allerlei sociale bewegingen. De meesten waren religieus geinspireerd, wilden leven zoals de eerste christengemeenschappen en hanteerden de utopische strategie: de Wederdopers, Labadisten, Levellers, Quakers, Shakers, Hernhutters. De evangelist Thomas Münzer echter hanteerde de revolutionaire strategie. (zie voor Münzer en de Wederdopers ook het boek Q van het collectief Luther Blisset, uit 2001). Münzer wilde het Godsrijk op aarde vestigen, maar dat kon volgens hem alleen d.m.v. de algehele strijd tegen eigendom en dit leidde in 1525 tot de grote boerenoorlog in Duitsland. De boeren eisen in 12 artikelen hun rechten, met name hun rechten op de ‘commons’, het gemeenschappelijke gebruik van de wouden en weiden, hun afgenomen door de adel. (Dit terugeisen van de ‘commons’ ziet men terug in de huidige andersglobalistenbeweging, zie o.m. Naomi Klein: Reclaim the commons, uit 2001). Dus: in deze golf van sociale bewegingen werd grotendeels de utopische, maar soms ook de revolutionaire strategie gebruikt.
  4. De revolutionaire periode rond 1780-1800: De Amerikaanse, Franse en Bataafse Revolutie. In deze periode vonden er geen utopische experimenten plaats maar richtte sociale bewegingen zich helemaal op de revolutionaire staat waarvan men alles verwachtte. Met name de patriotten van de Bataafse Republiek (1795-1798) verwierpen de standenmaatschappij/waren tegen de regenten en sprak over algemene kiesrecht (net als de Franse Revolutie, maar ook dat is daar niet doorgegaan). Voor het eerst ging men toen ook geloven in de 3-de strategie: het onderhandelen met de regering. Maar, net als na de Franse Revolutie, verliep de Bataafse revolutie in een grote teleurstelling..
  5. De vijfde golf van sociale bewegingen vond in Engeland en Frankrijk plaats van 1825-1850, waarin vooral de utopische strategie werd ingezet; het was de periode van de eerste socialisten: (Saint-Simonisten, Fourier, Owenisten) die het begrip socialisme en sociale wetenschap uitvonden. Ze zagen zich als sociale wetenschappers, niet als utopisten, die de maatschappij op grond van hun theorieen wilden veranderen. Maar theorieen was niet genoeg; ze wilden ook in het hier en nu hun ideeen in praktijk brengen. Vanuit de Saint-simonisten ontstond in Frankrijk ook de eerste autonome vrouwenbeweging, met hun eigen blad (La Femme Libre, de Vrije Vrouw), maar deze beweging moest de strijd aan met Proudhon, die voor het eerst een soort anarchistische beweging opzette. Proudhon verzette zich tegen die eerste, utopische socialisten omdat laatstgenoemde net zoveel aandacht aan de sekse-verhoudingen als aan de arbeidsverhoudingen gaf. Proudhon vond dat vrouwen alleen geschikt waren als huishoudster en hoer en dat ze verder hun mond moesten houden.
    Deze periode eindigde met de revoluties van 1848, toen weer iedereen alle aandacht en hoop richtte op de revolutionaire regering.. (Maar deze heeft maar 4 maanden bestaan.. en hierop kwam een enorme backlash, vooral in Frankrijk). Daarentegen hebben sommige Franse en ook Amerikaanse communes het generatieslang uitgehouden en hun idealen in het dagelijks leven toegepast.
  6. In de periode 1890-1920 ontstonden er zeer vele, uiteenlopende sociale bewegingen, waarbij alle 3 strategieen werd gebruikt: de utopische strategie werd gebruikt door allerlei utopische activisten (de kolonies van Frederik van Eeden, de christen-anarchisten; ook de kibboets door Joodse socialisten in Palestina; in andere landen sprak men ook over communes). Een ander deel van de anarchisten predikten de revolutie (de Marxisten), ofwel over De Grote Staking (zoals Domela Nieuwenhuis) die eerst bereikt moest zijn voordat men de idealen in praktijk kon brengen. En de sociaal-democraten zetten de derde (onderhandelings) strategie in. In deze periode ging de Tweede Internationale ten onder vanwege de strijd tussen de Marxisten en anarchisten. (Lenin zou later de Derde Internationale oprichten en de Trotskisten de vierde). De eerste feministische golf, die in deze periode ontstond in vele landen, hanteerden in Nederland grotendeels de overlegstrategie, hoewel in andere landen ook de utopische strategie werd gebruikt.
  7. De beroemde en beruchte zestiger jaren vormden de volgende rumoerige perioden (1965-1980), toen er zeer veel sociale bewegingen werden opgericht. De eerste tijd (1965-1970) waren de meeste bewegingen anarchistisch geinspireerd (Provo, de seksuele revolutie-beweging, de commune- en anti-autoritaire beweging, het begin van de studentenbeweging). Rond 1970 ging de studentenbeweging echter over naar het Marxisme. De studentenleider Ton Regtien formuleerde in 1968 nog: politiek is jezelf en je dagelijkse omgeving veranderen, maar in 1970 stelde hij: politiek is klassenstrijd. Iedereen die niet de klassenstrijd als prioriteit zag, beschouwde hij als fascist, dus werd Roel van Duyn van de kabouterbeweging ook zo benoemd. De vrouwenbeweging beriepen zich in deze tijd op hun ‘eigen’ feministische strategie van het werken in kleine groepen die vanaf de basis zijn ontwikkeld, om bewustzijn te stimuleren over de leuze ‘het persoonlijke is politiek’. ‘We moeten hardop durven dromen en dromen uitproberen’, en ‘we moeten het leven in eigen hand nemen en zelf in het hier en nu alternatieven ontwikkelen’ stond letterlijk in de Socialisties-Feministiese Teksten (1978 en1981). Toch ging ook het dominante deel van de vrouwenbeweging, net als van de milieubeweging, na 1980 om de onderhandelingstafel zitten. Na 1980 kwam juist de punk- en kraakbeweging op, waarin zowel de revolutie werd gepredikt als een alternatieve subcultuur werd opgericht.
  8. ? Misschien kunnen we stellen dat met de andersglobaliseringsperiode (vanaf 1995/2000) een nieuwe golf van sociale bewegingen is ontstaan. Voor het eerst in de geschiedenis van sociale bewegingen gaan in deze beweging alle drie strategieen samen: de DiY-ers met hun utopische strategie van het opzetten van alternatieven in het hier en nu, de revolutionaire socialisten (zoals de I.S.) met hun mobilisatiestrategie voor de revolutie en de vele NGO’s met hun onderhandelingsstrategie. De doe-het-zelvers claimen daarbij een geheel nieuwe notie van politiek bedacht te hebben. Zo stelde een Zapatista in 2002: ‘Mensen zijn al lange tijd gedesillusioneerd over het kiesrecht, hier en overal op de wereld. Een ook zijn ze gedesillusioneerd over de rebellen die met geweren komen en zeggen: ‘geef ons de staat, we zullen het beter doen’. Dus was zien we in Chiapas? Een alternatief voor beide, een nieuwe notie van politiek bedrijven. Je kan het radicale democratie noemen. Mensen nemen hun eigen lot in hun eigen handen’. Het blijkt dus dat de utopische strategie telkens opnieuw wordt uitgevonden (alleen sommige alterglobalisten verwijzen daarbij naar het feminisme: ‘De feministische beweging heeft geprobeerd ons nieuwe inzichten en praktijken te tonen, maar we zijn er over het algemeen in geslaagd hen te negeren’).
    Het grote discussiepunt hierbij is: hebben alle drie stromingen, met hun diverse strataegieen, elkaar nodig?

4. Anarchisme
 
Ik wil heel kort iets zeggen over het anarchisme en enkele beroemde anarchisten. Anarchisme: het streven de staat te de-institutionaliseren, ofwel:streven de macht van de staat te laten verdwijnen en nieuwe processen in gang te zetten die de maatschappij nieuw leven inblazen. Ok in het anarchisme zijn verschillende stromingen: anarchisme van de daad; anarcho-syndicalisme en anarchisme van het dagelijks leven.
Enkele beroemde anarchisten:

  • Godwin, -ongeveer 1790/1800- (als voorloper van het anarchistisch denken beschouwd; schreef erg abstract over politieke rechtvaardigheid; zijn idealen wel gebruikt voor het formuleren van utopieën)
  • Proudhon, gebruikte in 1840 als eerste het begrip ‘anarchisme’ in positieve zin. Hij is ook beroemd geworden in het anarchisme door zijn begrijp ‘mutuellisme’: producten ruilen tegen kostprijs met arbeidsgeld (d.w.z. geld dat gebaseerd is op de hoeveelheid tijd die het de maker heeft gekost dat product te maken). Maar dit idee heeft Proudhon rechtstreeks overgenomen van de arbeidstijd-waarde theorie van Robert Owen. Een ander begrip van Proudhon is het federalisme als organisatiestructuur (en dat kwam van Fourier). Proudhon heeft echter de toenmalige utopisch socialisten met verve bestsreden vanwege hun opvatting dat mannen ook vrouwelijke waarden moesten leren. Volgens Proudhon waren vrouwen alleen geschikt voor het huishouden en als hoer, verder moesten ze hun mond houden. De door veel anarcha-feministes geuite opvatting ‘dat het anarchisme altijd al feministisch is geweest’ gaat bepaald niet in zijn algemeenheid op als men naar de geschiedenis van het anarchisme kijkt.
  • Met Bakoenin werd het anarchisme pas een beweging, zo vanaf 1865. Zijn theorieën zijn nogal inconsistent volgens Arthur Lehning. Bakoenin wees Proudhons mutuellisme af als oplossing van het sociale vraagstsuk, maar nam zijn federalistische ideeen over. Terwijl hij zich jarenlang met Hegel had beziggehouden, verzette hij zich daarna tegen het idee van wetenschap. Hij was gericht op de filosofie van de daad, verwachtte vooral veel van de boerenmassa. De bestaande orde moet volkomen vernietigd worden (maar niet zonder een vage voorstelling van de orde die de bestaande moet vervangen). Bakoenin bestreed Marx op congressen van de Internationale, maar verloor.
  • Malatesta, rond 1870. Anarchisme van de daad (maar wees terreur af).
  • Kropotkin, vanaf 1876 in Europa, beroemd vooral rond 1900. Meest utopische anarchist/anarchist van het dagelijks leven, soms ook ethisch anarchisme genoemd. Hij streefde naar vrijwillige associaties gebaseerd op wederzijdse steun, cooperaties, en voor een regionaal, gedecentraliseerde economie. In ‘Verovering van het brood’beschreef hij al beloning naar behoefte (Bakoenin ging, net als Marx, nog uit van beloning naar prestatie).
  • Emma Goldman, begin 20-ste eeuw.. Een van de weinige beroemde vrouwelijke anarchistes. Vrije liefde.
  • Domela Nieuwenhuis, werd in 1879 socialist n.a.v. het Duitse Marxistische programma van Gotha (1875) dat toen nog veel over zelfbeheer van associaties had. Marx bekritiseerde dat (werd toen: Programma van Erfurt uit 1891). Volgens Anton Constandse heeft in Nederland in de periode 1870-1940 het anarchisme naar verhouding een grotere rol vervuld dan in andere landen van West-Europa, met uitzondering van Spanje. Domela werd vanaf 1892 anarchist en pleitte voor de omverwerping van de maatschappelijke orde met alle wettelijke, vredelievende of gewelddadige middelen. Hij bestreed de kolonies (leidde af van De Grote Staking). Na Nieuwenhuis: Clara Meijer Wichman (anarco-syndicalisme) en Bart de Ligt (vooral gericht op vredesbeweging)
  • Spaanse burgeroorlog, 1936-1939: vakorganisaties/arbeidersraden namen het hele economische en sociale leven over.Naast Franco enorm veel tegenstand/verraad van communisten, maar ook enkele anarchisten gingen in de regering zitten..
  • Roel van Duyn en Provo (1965-1967). Sterk beinvloed door Kropotkin. De door Van Duyn na Provo opgezette Kabouterbeweging werd bestreden door studentenbeweging omdat de kabouters zich niet alleen concentreerden op de arbeidersstrijd.
  • Kraakbeweging. De PVK tegen de ‘grutters'(jaren 1980) idem als bij Domela Nieuwenhuis.
  • Huidige andersglobalistenbeweging. Revolutie afgezworen door DIY-stroming in deze beweging. Voor het eerst de drie strategieen samen in één beweging.

5. Voor- en nadelen van de DiY-strategie
 
Voordelen:

  • meer dan de 2 andere strategieen: het gevoel dat je zelf iets kan doen aan de situatie, in het hier en nu. Bestaande machtsverhoudingen kunnen ten dele genegeerd worden.
  • Het idee dat je zelf aan je situatie iets kan doen maakt mensen minder machteloos. Het laten zien van alternatieven stimuleert mensen die alternatieven ook in praktijk te brengen. Ze hoeven niet eerst compromissen te sluiten (zoals bij overlegstrategie). Kunnen hun eigen taal/wensen blijven formuleren. Kunnen buiten de eeuwige strijd tussen revolutie of overleg blijven.
  • Nadruk op dagelijks leven (valt weg bij andere 2 strategieen). Juist voor vrouwen ook zo belangrijk. Niet alleen buiten de deur, ook binnenshuis moeten de relaties tussen mensen veranderen. Geen hypocrisie.
  • Geen hierarchistisch structuren zoals in andere twee strategieen
  • Meest duidelijke strategie om het individu met het collectieve te verenigen. Je moet het zelf doen, maar je kan het nooit allleen. En andersom: collectieve idealen waarvoor persoonlijke verandering nodig is.

Nadelen/tekortkomingen:

  • Neiging tot terugtrekking in de subcultuur. En daardoor vaak weinig zichtbaar zijn. Hoe betrek je anderen bij je beweging? (anders dan; mobiliseren, zoals revolutionaire strategie)
  • Soms is strijd nodig/confronterende acties. Als bijv. De kraakbeweging haar panden niet zo fel had verdedigd, was er waarschijnlijk veel minder van de beweging overgebleven. Je moet je soms wel verdedigen, of in de aanval als iets je niet bevalt (maar dat is niet hetzelfde als alles aan de revolutie ophangen).
  • Soms ook lijnen naar de parlementarie politiek nodig/belangrijk. Met een meer socialistische regering is er meestal meer mogelijk + verandering van wetten soms belanrijk. DiY kan niet in beleid vertaald worden, maar lijntjes naar plaatselijke politiek soms nodig om bijv. vrijplaatsten te behouden. (En denk bijv. aan de miljoenen mensen overal op de wereld die tegelijkertijd protesteerden tegen de oorlog in Irak en de politieke partijen die voor de oorlog stemden).

Zoals gezegd wordt voor het eerst tussen de 3 bewegingen/strategieen samengewerkt in de andersglobaliseringsbeweging (dus vanaf eind jaren 1990).
Hebben de verschillende strategieen/stromingen elkaar nodig?
In het boekje “We are everywhere” (2003) schrijft een DiY-activist: zonder de radicalen zou de hele beweging niet hebben bestaan, want zou zij zich snel hebben aangepast en gecoopteerd zijn. Zonder de reformisten zouden we geisoleerd staan en aan de kant geschoven zijn. Geen enkele stroming kan serieus verwachten dat we de anderen op korte termijn kunnen overtuigen. De beweging moet zijn zoals de maatschappij die het aan het opbouwen is: een plaats van autonomie, diversiteit en respect (p. 372-373.)
 
Saskia Poldervaart.


 
Dan volgt er een korte inleiding van Kriss Sol. (CASA) over:

Het belang van theorie voor linkse bewegingen

  • anti-intellectualisme in actiebewegingen (Paul Mc Cartney „Live and destroy theory”, „Do or Dy” van de milieuactivisten in de negentiger jaren in UK, kraakbeweging en Bilwetbijbel)
  • Marx (in een brief uit 1848): ‘Kritische theorie is een zelf-reflectie over de strijden in onze huidige tijd.’

Belangrijke zijn in deze zin:

  • Zelf-reflectie: het gaat niet alleen om reflectie over, maar om reflectie over jezelf, en je eigen betrokkenheid, theorie moet dus ook over zichzelf gaan nadenken
  • Huidige tijd: houdt in dat theorie alleen kan ontstaan uit de betrokkenheid met de werkelijkheid
  • Er is een noodzakelijk verband tussen praktijk theorie (theorie als correctie op praktijk en praktijk als correctie op theorie)
  • Er moet een dialoog plaats vinden
  • Theoretiseren is uiteindelijk ook een activiteit (ReflAction)

Het verschil van theoretiseren tussen 2dh5 en NSF
 
Theorie hoeft dus niet alleen te beteken dat we iets verklaren, het hangt af van het soort kennisideaal.
Habermas maakt een verschil tussen drie kennis idealen:

  • Controleren en beheersen (in de natuurkundige wetenschappen via meten, verklaren, voorspellen)
  • Duiden/ interpreteren (in de geesteswetenschappen via ‘duidend begrijppen’)
  • Emanciperen/ van onderdrukking bevrijden (kritische theorie vooral in de sociale wetenschappen)

De kritische theorie heeft dus 2 taken:

  1. Dogma’s onderuit halen zowel in maatschappij als binnen de eigen beweging (zelf-reflexiviteit!)
  2. Inspiratie: er moet een concreet handelingsperspectief worden aangeboden (geen blauwdruk), oplossingen die je kunt bedenken hangen nauw samen met de manier waarop je het probleem vast stelt. Verwijs naar Paule Freire “Pedagogy of the Opressed”: leren lezen betekent mensen de middelen in de hand te geven om hun wereld te begrijpen maar ook de middelen om deze te veranderen (‘Theorie is geen produkt maar een proces’)

Tot slot: Het verschil tussen theorie en praktijk is niet zo groot – in theorie, in de praktijk echter wel.
 
Een project dat probeert duurzame bruggen te slaan tussen activisme en academie: CASA, volgende internationale bijeenkomst is in juni (23-26) in Amsterdam, kijk op: www.casa.manifestor.org
 
Tot zover de inleiding van Kriss Sol


Vragen & Diskussie

Saskia (nav vraag): Natuurlijk is dit de geschiedenis van de sociale bewegingen in het Westen. Door de andersglobalisering komen er ook veel niet-westerse perspectieven en ideologieen. Er was daarvoor al wel een ‘derde-wereld- en ‘solidariteits’ beweging maar dat was heel los zand. Door vooral de Zapatista’s, maar ook de Braziliaanse Piciteros en de strijd van de zelfvoorzienende boeren in India, kwamen er nieuwe inspratiebronnen.
Kriss: er komt een hele post-koloniale ideolgie over wat we kunnen leren van de 3de wereld: de sub-alterne theorieen (alterne= het andere/uitgeslotene)
 
Probleem is af en toe ook wel de huidige “verheerlijking van het lokale”, van sommigen (oa. Vandana Shiva), boeren in India hebben ook niet de waarheid in pacht, er moet juist meer nadruk komen op het pluralisme.
 
Op dit moment is het probleem van de andersglobaliseringsbeweging de institutionalisering van de derde strategie: de onderhandelingsstrategie. Het is zelfs zo dat de ngo’s de aktiebeweging als een soort ‘stok achter de deur’ gebruiken bij hun onderhandelingen. Maar heel veel ngo’s zijn verlengstukken van politieke partijen (geworden) en zijn geen deel meer van de beweging. Het is ook bewust beleid van de politiek om juist die groepen groot te maken en te houden (het polderen).